Inleiding debat Brabant Balie: Brabant gaat verloren?!
Tilburg, 25 februari 2003
Prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld, hoogleraar Cultuur in Brabant aan de Universiteit van Tilburg
Dames en heren,
het leven is goed in het Brabantse land, het land waar ook mijn wieg heeft gestaan. De Peel en de Kempen, de purperen hei, een dorpje dat past in je hand en een pleintje met bomen omrand.
Dat is het beeld van Brabant dat Brabanders en niet-Brabanders sinds jaar en dag koesteren. Het is een arcadisch beeld van een groene provincie, waar ruimte en tijd is voor de goede dingen van het leven. Sinds het einde van de negentiende eeuw – zo lang al – is dit beeld van een plattelandsprovincie een wezenlijk onderdeel van de Brabantse identiteit. Landelijkheid is een kernelement in het zelfbeeld van Brabanders en het beeld dat buitenstaanders van Brabant hebben. Want Brabanders – zo wordt ons verteld en vertellen wij elkaar – dat zijn in wezen dorpsmensen, levend in hechte boerengemeenschappen, waar men oog heeft voor traditie en eigen cultuur en men dicht op de ongerepte natuur leeft. Het echte Brabant is het landelijke Brabant. Sinds Vincent van Gogh 125 jaar geleden de Brabanders is gaan schilderen als eenvoudige, met hun handen en voeten in de grond wortelende mensen, sinds culturele en literaire emancipatoren als Hendrik Ouwerling, Antoon Coolen en Anton van Duinkerken een directe link gingen leggen tussen het Brabantse landschap en de Brabantse volksaard, en sinds de voormannen van Brabantia Nostra in de jaren dertig met hun ideologie van het Brabants eigene de traditionele, katholieke en agrarische dorpssamenleving gingen verheerlijken, is de vereenzelviging van Brabanders met het Brabantse landschap van heide, akkers en dorpen een vanzelfsprekendheid geworden. In het Welvaartsplan van commissaris De Quay uit 1947 werd die vereenzelviging zelfs tot uitgangspunt verheven: want ook al maakte volgens dat plan de demografische groei van de Brabantse bevolking een snelle industrialisering noodzakelijk, voorkomen moest worden dat de Brabantse arbeider zou vervreemden van zijn natuurlijke omgeving, het platteland. Daarom koos het Welvaartsplan niet voor een concentratie van de industrie in de steden maar wilde het die industrie naar het platteland brengen. Op een kaart van Brabant werden cirkels getrokken met een straal van zes kilometer: de nieuwe industriële centra werden zo gepland dat de fabrieksarbeiders maximaal maar zes kilometer naar hun werk hoefden te fietsen en dus in de dorpen konden blijven wonen. Koste wat kost moest de ontwikkeling van grote steden worden voorkomen, die als poelen van individualisme, materialisme, nihilisme en geloofsafval een onnatuurlijk en ‘wezensvreemd’ biotoop vormden voor de gelovige, met weinig tevreden en op gemeenschapsleven ingestelde Brabander. Niet voor niets waarschuwde Brabantia Nostra al in de jaren dertig dat ‘in Eindhoven Brabant ten onder ging’, want in die stad met haar grootindustrie was toen al 30 % van de bevolking niet katholiek en eigenlijk dus niet-Brabants.
Deze stroming, die afkeer van de grote stad preekte en het pure, eenvoudige en rustige landleven verheerlijkte, is natuurlijk niet tot Brabant beperkt gebleven. Ze past in een grote, romantische beweging van een verlangen naar landelijkheid, die vanaf de negentiende eeuw West-Europa overspoelde. De industriële revolutie leidde toen tot de ontwikkeling van grote industriesteden. Als reactie daarop ontstond een burgerlijke trek naar buiten, naar idyllische landelijkheid en het pure landleven. Burgers lieten buiten de stad voor zichzelf pseudo-boerderijen optrekken, het landelijke en ambachtelijke tafereel werd hét thema bij uitstek van schilderkunst en literatuur, en in boeken voor het grote publiek werd liefde voor de natuur zelfs gelijkgesteld aan liefde voor vaderland en eigen streek. Daartegenover werd de stad verketterd als centrum van zedelijke verloedering, lelijkheid en egoïsme. Schoonheid, eenvoud en waarheid waren – zo was de oorverdovende boodschap tot ver in de jaren zeventig – slechts te vinden in het leven op het platteland en in ‘terug naar de natuur’..
Merkwaardig genoeg is Brabant tot voor enkele jaren blijven geloven – en misschien geloven velen nog altijd – in dit postromantische ideaal van het heilzame landleven tegenover de verdorvenheid en minderwaardigheid van het stadsleven. Nog altijd geloven we in een tegenstelling tussen stad en platteland, en in de superioriteit van groen ten opzichte van rood.
Dit is des te merkwaardiger omdat deze kunstmatige scheiding tussen stad en platteland in Brabant heeft geleid tot een enorme paradox: het is juist onze liefde voor het platteland, de dorpen en de agrarische samenleving geweest die heeft geleid tot de suburbanisatie van datzelfde platteland. Vijftig jaar Welvaartsplandenken heeft ertoe geleid dat ieder dorp zijn eigen bedrijventerrein kreeg. De liefde voor wonen in een landelijke omgeving en de ‘trek naar buiten’ hebben geleid tot een explosie van de Brabantse dorpen, die allang niet meer passen in één hand. Nieuwbouwwijk na nieuwbouwwijk werden als schillen van ‘witte schimmel’ om de dorpskernen gehangen. Ieder dorp kreeg recent ook nog zijn rondweg en vierbaans ontsluiting. Onder het jarenlang volgehouden mom van ‘stop de grote stad’ dreigt Brabant nu één grote stad te worden waar ongerepte natuur ver te zoeken lijkt. Niet in Eindhoven, maar op het platteland dreigt Brabant nu verloren te gaan.
Gerard van Maasakkers bezingt in zijn ‘Land van zand’ het huidige Brabant niet voor niks als volgt:
‘Je balanceert tussen achterland en snelweg,
tussen gisteren en morgen, met een pauze voor vandaag,
en elke keer dat je ‘houdoe’ of ‘tot ziens’ zegt
dan blijft er altijd nog die ene vraag:
wat laat je achter, wat neem je mee (...)’.
Toch begint het langzamerhand tot de Brabanders door te dringen dat in hun idylle van landelijkheid en hun zelfbeeld als ‘in wezen mensen van het platteland’ een grote mate van zelfbedrog schuilt. Stad en platteland zijn inmiddels nauw met elkaar verweven en lang niet meer zo tegengesteld als een halve eeuw geleden. Stedelingen zoeken voor hun recreatie steeds meer het landelijk gebied op. Plattelandsbewoners – voorzover niet afkomstig uit de stad of daar werkzaam – zijn meer dan ooit aangewezen op de stad voor onderwijs, zorg en winkels. Alle Brabanders zijn inmiddels gebruiker van zowel stad als platteland en in zekere zin allemaal zowel stedeling als plattelandsbewoner. De scheiding tussen een stedelijke en een plattelandsidentiteit verdwijnt langzaam maar onherroepelijk. Ook de collectieve Brabantse identiteit – het Brabantse gevoel – ruimt nu plaats in voor de stad als wezenlijke ingrediënt. Culturele voorzieningen, cultuurhistorische uitstraling en economisch succes hebben de Brabantse steden een nieuw zelfbewustzijn en elan gegeven. Het Tilburgse 013 staat landelijk op de kaart als Nederlandse poptempel en in de NRC wordt het nieuwe Van Abbemuseum in Eindhoven onomwonden het beste museum voor moderne kunst in Nederland genoemd. ‘Brabantstad’ wordt van een afschrikwekkend toekomstbeeld langzaamaan een lonkend perspectief. Dat weerspiegelt zich ook in de manier waarop Brabant zich naar buiten presenteert. Werd koningin Juliana bij haar eerste officiële bezoek in 1949 nog gefêteerd op een Brabantse koffietafel in een uitgeruimde stal in Middelbeers, prins Willem Alexander en zijn Máxima werden in 2001 getrakteerd op alle geneugten van de Brabantse stedengordel, van een multiculturele muziekshow in Tilburg tot een rondje moderne design in Eindhoven, gelardeerd met de cultuurhistorische parels van de binnensteden van Breda en ’s-Hertogenbosch. Zijn we inderdaad op weg naar een optimistische visie op Brabantstad of Zandstad als een hoogwaardige grote-stedengordel tussen de Randstad, het Ruhrgebied en de steden van de Vlaamse ruit? Of bestaat dit visioen nog alleen in de hoofden van enkele plannenmakers?
Want ondertussen zie ik toch voornamelijk een ongehinderde, voortgaande verkettering van de stad. Een grote groep mensen – vooral de modale middenklasse op zoek naar een huisje met een tuintje – ontvlucht de stad, waar slechts zogenaamd sociaal zwakkeren en de hogere inkomensgroepen achterblijven. De stad, dat is toch niks anders dan een lawaaiige, onveilige en dure woonomgeving, waar de leefbaarheid alleen maar achteruit gaat door verloedering, vervreemding en de concentratie van allochtonen?
De tweedeling tussen stad en platteland dreigt dus alleen maar groter te worden en met gretig genoegen wordt opnieuw het landelijke Brabant van de kleine kernen omarmd als het echte Brabant: in de steden moet je voor een herkenbare leefomgeving niet meer zijn.
Op provinciaal niveau heeft men onder gedeputeerde Pieter van Geel en de zijnen in het Streekplan 2002 een dappere poging gedaan een nieuwe koers uit te zetten op zoek naar een nieuwe en duurzame balans tussen stedelijkheid en landelijkheid in Brabant. In planologie en ruimtelijke ordening moet enerzijds het onderscheid tussen landelijk en stedelijk gebied weer duidelijker worden en het dichtslibben van het landelijke gebied een halt worden toegeroepen. De afgelopen dertig jaar is het bebouwde oppervlak van Noord-Brabant verdubbeld en wat voorkomen moet worden is dat ons de komende dertig jaar weer zo’n verdubbeling te wachten staat. Anderzijds moet door een duidelijke verdeling van economische, agrarische, toeristische en woonfuncties de samenhang tussen stad en platteland in Brabant beter worden afgestemd. Het Streekplan zet dus de grote lijnen uit voor zo’n nieuwe balans tussen stedelijkheid en landelijkheid, tussen ‘rood’ en ‘groen’. Maar de noodzaak van moeilijke politieke keuzes blijft bestaan. Gaan we bij gebrek aan een economisch haalbaar alternatief toch maar door op de weg van uitdijende steden en een dichtslibbend platteland of kiezen we voor compacte steden in een openblijvend platteland? Doen we de kleine kernen ‘op slot’ voor de bouw van huizen voor mensen van buiten of niet? Laten we de bedrijventerreinen verder groeien zoals ze dat de laatste jaren hebben gedaan of kiezen we voor een intensiever gebruik van de ruimte? Zetten we in op enkele regionale bedrijventerreinen of laten we iedere gemeente zijn eigen terrein ontwikkelen? Hoe verzoenen we de belangen van milieu en economie? En wat betekent de reconstructie van de intensieve veehouderij en de uitbreiding van de glastuinbouw voor het buitengebied? Hoe kunnen natuurbeheer, de legitieme wensen van de agrarische sector en de behoefte aan recreatie in het buitengebied op elkaar worden afgestemd. Is de Brabantse verkeersinfrastructuur af of staan we voor de aanleg van nieuwe wegen en spoorlijnen, zoals een light rail tussen de steden van Brabant Stad?
Hét antwoord op al deze vragen heeft niemand en ligt nog in de toekomst besloten. Maar wat vanavond hopelijk wel duidelijk wordt, is in welke richting de verschillende partijen in de nieuwe Staten het antwoord zullen gaan zoeken.
Ook ik heb geen antwoord op mijn eigen vragen. Maar als historicus en beschouwer van de Brabantse cultuur en identiteit kan ik wel een suggestie doen voor een ander perspectief in onze beschouwing van de relatie tussen stad en platteland, om af te komen van die valse dichotomie tussen ‘negatieve’ stedelijkheid tegenover ‘romantische’ landelijkheid. Niet de tegenstelling tussen stad en platteland moet centraal staan, maar juist de verwevenheid en complementariteit. Alle Brabanders zijn tegelijk stedelingen en plattelanders en in de steden wonen geen betere of slechtere Brabanders dan in de dorpen. Wat vanuit een cultuurhistorische visie op het landschap ook niet vergeten mag worden: er is ook geen tegenstelling tussen natuur en cultuur. De Brabantse natuur is tot de laatste vierkante meter het resultaat van ingrijpen van de mens en dus cultuurland. Er is in Brabant dus ook geen ‘oorspronkelijk’ landschap meer te vinden. Wanneer we spreken over het maken van nieuwe natuur dan is dat niks nieuws. De natuur en het landschap zoals we dat nu kennen zijn het resultaat van een eeuwenlange dynamiek in gebruik en functie en in hun huidige verschijning vrijwel overal relatief jong. Ingrijpen in het landschap met een beroep op ‘herstel’ van de oorspronkelijke situatie is dus een valse legitimatie die aansluit bij een achterhaalde visie op de Brabantse landelijke idylle. We kunnen voor die legitimatie beter een beroep doen op hedendaagse en toekomstige wensen en functies. En die moeten we nu maar eens helder omschrijven.
Tot slot: als ik het heb over een nieuwe balans tussen stedelijkheid en landelijkheid dan heb ik het over een nieuwe balans in de ruimtelijke ordening en planologie, in het Brabantse zelfbeeld, in de culturele en sociale voorzieningen en – last but not least – in de politieke verhoudingen tussen steden en dorpen en tussen gemeentelijke en provinciale bestuurders, waarin volgens mij een kunstmatige belangentegenstelling in stand wordt gehouden. Helemaal tot slot: als u in mijn opmaat tot het debat bekende zaken heeft gehoord, dan kan dat, want ik heb hiervoor uiteraard leentjebuur gespeeld bij schrijvers en denkers als Paul Kuypers, Ileen Montijn, dr. Jan van Oudheusden en collega Gerard Rooijakkers.