Verslag debat ‘Jeugdzorg! Daar kun je maar beter wegblijven’

2 november 2011, De NWE Vorst in Tilburg

De organisatie van de jeugdzorg moet op de schop, gemeenten worden hiervoor verantwoordelijk. Hoe klaar je die complexe klus? BrabantBalie wil er de komende jaren meerdere debatten aan wijden. ‘Er zijn niet veel onderwerpen waarbij mensen zó betrokken zijn: dat is geen garantie, maar wel voorwaarde voor een oplossing’, concludeerde debatleider Roel van Gurp tot besluit van de boeiende en op momenten knetterende aftrap in Tilburg. ‘Mooi als we over een jaar een stap verder zijn.’

Geen enkele 21-minner, wel een volle zaal met honderd mensen die zich als bestuurder, ambtenaar of beroepskracht druk maken om jeugd en jongeren. ‘Een fantastische opkomst over een fantastisch onderwerp’, constateert debatleider Roel van Gurp. Hij is directeur van woningcorporatie Casade, maar ‘de transitie van de jeugdzorg’ ligt hem, als oud-bestuurder van Kompaan en de Bocht, nog na aan het hart.
Die jeugdzorg, sector voor de vijftien procent jeugdigen met wie het niet vanzelf goed gaat, heeft een beroerd imago: een zorgdoolhof dat je maar beter kunt mijden. Maar het kabinet verwacht dat het beter kan door de regie te verschuiven van de provincie naar gemeenten. Brabantse hoofdrollen in deze transitie hebben vier vrouwen die vanavond ook op het podium staan; Gerdien de Wal, programmamanager jeugd van de provincie; en Marieke Moorman, Saskia Boelema en Lenie Scholten, wethouders van respectievelijk Tilburg, Breda en Eindhoven.
Kernopdracht: het voor kinderen en ouders beter laten lopen, zo formuleert Van Gurp, die luchtig de toon zet. ‘We lossen het in twee uur niet op. Maar het is prettig als iedereen met twee, drie noties huiswaarts kan.’

Van wal…

Gerdien de Wal begint met een ruiterlijke bekenning. De provincie is in 2005 niet geslaagd in haar opdracht: eenduidige aansturing en één toegangspoort voor jeugdzorg, licht verstandelijk gehandicapten en jeugd-ggz. Er moest worden verbouwd terwijl de winkel open was, er waren teveel spelers, er was onvoldoende draagvlak (teken aan de wand: vanavond nóg ontbreekt de jeugd-ggz, hoewel die wel was uitgenodigd), de provincie staat te ver van ‘het veld’.
Maar de papieren zijn volgens De Wal niet zo slecht. ‘Er is veel gestroomlijnd, er ligt nu een mooie kans om op het lokale niveau de juiste dingen te verbinden’. De gemeenten krijgen voor hun transitie bovendien meer tijd: die hoeft pas in 2016 klaar. En Brabant wordt in den lande al geroemd om de goede samenwerking, die zich nu weer uit in een nieuw online-platform over de transitie: https://jeugdzorg.pleio.nl

Eerste rondje…

In een eerste rondje tonen ook de wethouders zich redelijk optimistisch. Moorman spreekt namens acht Midden-Brabantse gemeenten van een spannende operatie, met als belangrijkste uitdaging de complexiteit te doorbreken, ‘het bord schoon te vegen en samenwerking opnieuw te bedenken.’
Haar Bredase collega Boelema hoopt het in december met 17 collega’s in de regio eens te worden over een regionale visie. Zij spreekt van een positief jeugdbeleid dat uitgaat van talenten en kansen, van de behoefte van ouders en kinderen en van ‘vertrouwen in professionals’.
Dat het allemaal met minder geld moet, hoeft niet eens een probleem te zijn, vult Scholten aan; nu wordt veel dubbel gedaan en uitgezocht. Beter samenwerken in preventie kan de ongebreidelde groei van de jeugdzorg terugdringen.

Het stemt Van Gurp al vrolijk. ‘Ik ben acht maanden weg uit de jeugdzorg en het gaat geweldig!’.
Ook de zaal weet wel beter. Alexander Wijers (Statenlid uit Oosterhout) vreest in West-Brabant al het ontstaan van een nieuwe miniprovincie. Arne van Os van den Abeelen (hoofdredactie Ergotherapie magazine) ziet bij de noodzakelijke wetswijzigingen in Den Haag nog beren op de weg, zeker nu verantwoordelijk staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten allengs losser in het zadel zit.
Van Gurp stelt voor het debat toch zoveel mogelijk toe te spitsen in de richting die oud-kinderrechter Frans van de Reijt voorstelt: niet weer eindeloos praten over structuren en organisaties, de inhoud voorop. Hoe scherm je overvraag af? En vooral: hoe voorkom je dat kinderen die níet vragen worden overgeslagen?

Ontluisterende analyse…

Dan is de beurt aan René Clarijs van de Academy for Public Change en hoofdredacteur magazine Jeugdbeleid. Hij schetst een ook voor veel professionals in de zaal toch nog ontluisterende analyse van de Nederlandse jeugdzorg.
Hoofdpunten:
-De jeugdzorg zit helemaal ‘achter in het stelsel’ en daarmee is Nederland binnen Europa een uitzondering. Aan de voorkant ligt een enorm gat dat grotendeels aan ouders is. Resultaat: een niet te stoppen groei van de gevallen waarin het niet goed gaat en dus jeugdzorg nodig is.
-we hebben het ongelofelijk complex georganiseerd: drie overheidslagen, zeven ministeries, 28 zorgkantoren bemoeien zich er al mee. De financiering is hoogst ingewikkeld. Voorbeeld: kleine jeugdzorgaanbieder de Zuidwester heeft te maken met 23 financieringsstromen.
-de effectiviteit is uiterst beperkt (twee hoogleraren hebben het zelfs eens berekend) terwijl jaarlijks 3,4 miljard in de sector omgaat. Illustratief: het aantal jeugdigen in de gevangenis (‘het absolute failliet van de jeugdzorg’). In Zweden is dat 0 per vijf miljoen inwoners, in Belgie 15, in Duitsland 80 en in Nederland…420!
-de sector is eenkennig. Grootste problemen in jeugdzorggezinnen zijn respectievelijk huisvesting, armoede en werk, niet de pedagogische problemen. Zonder integraal samenwerken is hulp verlenen dweilen met de kraan open.
-het is korte-termijn georganiseerd, in hijgerige bestuursperiodes van vier jaar en teveel gericht op problemen.

Innoveren is dus het devies, maar dat is verre van simpel, want:
-het jeugdzorgwereldje is volledig geïnstitutionaliseerd, padafhankelijkheid speelt parten: bestaande paden zijn zó uitgesleten dat het lijkt of we niet kunnen veranderen.
-bestuurlijke oplossing van decentraliseren naar 418 gemeenten lost niets op, het is slechts illustratie van bestuurlijke onmacht en vergroot de bestuurlijke drukte. Het wachten is op recentralisatie over 20 jaar.

Een inktzwart verhaal kortom, maar Clarijs schetst tot besluit toch nog een uitweg:
-organiseer het buiten het bestaande stelsel.
-ga aan de voorkant zitten, organiseer het van onderop in de buurten
-maak de omslag van de verzorgingsstaat naar de participatiestaat en geef burgers ook de bijbehorende mogelijkheden en verantwoordelijkheden.

Actie is reactie…

De zaal en de wethouders zijn even beduusd, maar stellen zich manmoedig teweer.
Lian Smits (Kompaan en de Bocht) wil gezegd hebben dat de jeugdzorg ondanks alle ellende een prachtig vak is waar veel feitelijke kwaliteit wordt geleverd. ‘Veeg die niet weg.’ Volgens Moorman slaat Clarijs de plank mis als hij zegt dat decentralisatie niet de oplossing is. ‘We moeten het dicht bij mensen thuis doen, met gezond boerenverstand: exact het domein van de lokale overheid.’
Boelema spreekt van een ‘cynisch verhaal’. ‘Ik word gek van mensen die zeggen wat allemaal niet kan en deugt. Kijk naar wat je vanaf morgen kunt aanpakken en probeer het belang van organisaties zoveel mogelijk uit te schakelen.’
Maar Scholten wil ook niet naïef zijn. ‘De effectiviteitvraag is terecht. Laten we niet denken dat het wel geregeld is als je het dicht in de buurt doet.’
In Tilburg wordt zo al naar interventies gekeken, stelt Moorman. Er is een toptien opgesteld van de belangrijkste problemen rond opvoeding (op één: echtscheiding), daar worden programma’s op geformuleerd.
Clarijs richt zich tot de zaal en deelt nog een steek uit. ‘Kritisch is niet hetzelfde als cynisch. Wat ik de politici verwijt is dat ze de geschiedenis niet kennen. Over tien jaar zit hier een nieuwe generatie bestuurders. Met de beste bedoelingen stappen ze elke keer in dezelfde val.’

Tussen negatief en positief…

Hein van Duivenboden (hoogleraar bestuurlijke samenwerking in Tilburg) wordt, geïnterviewd door Van Gurp, heen en weer geslingerd tussen optimisme en pessimisme. Het maatschappelijk rendement van de jeugdzorg is gewoon onvoldoende (70% recidive onder jeugdgedetineerden is gigantisch; mensen gaan met passie het vak in, maar de helft van hun tijd wordt opgeslokt door papierwerk; veel personeelswisseling) en er zit een hardnekkig probleem in de cultuur en de organisatie.
Nodig is volgens hem een duurzame innovatie, een wezenlijk andere manier van werken. Hij ziet al hoopgevende dingen gebeuren die daaraan kunnen bijdragen: de huismeester die signaleert dat de loverboy rond de flat actief is, de jongerencoaches die met de juiste zetjes leerlingen op school weten te houden. Lichtend voorbeeld in zijn ogen is Barend Rombout van het Rotterdamse Bureau Frontlijn dat recidivisme aanpakt door vooral vaders en moeders intensief te ondersteunen.

Dit gaat veel te leuk zo…

Uit de zaal buitelen vervolgens goede Brabantse voorbeelden (uitgaan van eigen kracht van ouders en kinderen; de juniorcoaches van CJG Tilburg) en hartstochtelijke pleidooien voor innovatie (geef jeugdigen de ruimte in plaats van ze te beknotten) en komt de discussie los. Van Gurp besluit gaandeweg spontaan de stellingen te laten voor wat ze zijn. ‘Dit is veel te leuk zo.’
Deproblematiseren!, luidt het devies van Anne Willems (CJG, Tilburg). ‘Focus op de kansen, kijk wat jongeren leuk vinden: 80 procent van de effectiviteit ligt in de persoon zelf.’

Redelijke consensus daarover, constateert Van Gurp: wat let ons het gewoon zo te doen?
Het ontbreekt aan doorzettingsmacht, constateert de kinderrechter: ieder doet zijn stukje van de hulpverlening, samen wordt niet doorgepakt. Klopt, beaamt Scholten, daar hebben professionals zelf het meeste last van. En van de neiging de verantwoordelijkheid van ouders over te nemen.
Boelema schetst haar dilemma; ze wil professionals ruimte en vertrouwen bieden en ze niet opzadelen met caseloads en aantallen opvoedproducten. Anderzijds moet alles –zeker nu dient belastinggeld verantwoord besteed - SMART en meetbaar. ‘Het grootste risico’, vult Scholten aan, is dat je professionals meer ruimte geeft en er zich vervolgens in jouw gemeente een nieuwe Savanna aandient. Samen komen de wethouders tot de slotsom dat er altijd risico’s zijn die de jeugdzorg niet kan ondervangen en dat de buitenwacht dat ook moet weten. ‘Er kunnen altijd dingen mis gaan.’

Ingrid de Vries (projectleider transitie Den Bosch), verbaast zich erover dat wethouders plots zo lyrisch zijn over beroepskrachten. Die hebben nogal eens maling aan effectieve methoden en doen het wel op hun eigen manier. ‘Je mag best op die effectiviteit sturen’.
Het leidt tot discussie over de mate waarin nu al verantwoording wordt afgelegd en over de vraag of de politiek helder genoeg is over wat dan wordt verwacht.
Boelema geeft professionals ook geen blanco brief: ‘je moet kritisch blijven op mensen die je het veld instuurt’. In Tilburg zijn al een soort tien geboden voor beroepskrachten geformuleerd, zijzelf vinden dat een welkom houvast, zegt Moorman.

De discussie maakt Van Duivenboden niet optimistischer over de noodzakelijke verandering. Hij is bang dat de jeugdzorg te zeer een overheidsaangelegenheid blijft en ziet vanavond ook weer dat goede ideeën in woord verwelkomd worden, maar vervolgens makkelijk worden weggezet met ‘doen we eigenlijk al.’ Goed beleid en nieuwe ideeën zijn beide nodig, besluit hij. ‘Een goede professional heeft regels nodig, maar weet wanneer hij ervan af moet wijken.’
Clarijs ziet in ieder ook een voordeel van de transitie: de gemeenten voelen het direct in de portemonnee als ze er niet in slagen vooral aan preventie te doen. Hij hoopt dat hij nog mag meemaken dat gemeenten het eigenbelang en de hindermacht van organisaties en instituties weten te doorbreken, al is hij er sceptisch over.

Toch reden tot hoop…

Van Gurp komt tot een slotvraag aan de dames op het podium: Wat levert de avond je op?

De Wal: de uitdaging is de omslag te maken van de verzorgingsstaat naar de participatiestaat: zorg van eenieder in de zaal. Hier merk je hoezeer dat iedereen het aan het hart gaat en hoeveel wil er is het samen te doen. Dat biedt hoop.’
Scholten: dat er toch meer handelingsruimte moet komen voor professionals. ‘Hindermacht merk ik vooral landelijk. Op lokale niveau zie ik vooral enthousiasme om anders met gezinnen en kinderen aan de slag te gaan.’
Boelema is het hartgrondig eens met de reactie dat het moet gaan over honderd procent van de jeugd en niet alleen over dat deel dat problemen heeft.
Moorman noemt het geruststellend dat in de politiek over de jeugdzorg veel meer consensus is dan in veel andere dossiers. ‘We moeten door instellingsbelang heen denken. Uiteindelijk gaat het om mensen die aan keukentafel het werk doen. Daar is veel bereidheid.’

Stefan Jongerius

Contact

BrabantBalie
Postbus 996
5000 AZ Tilburg
Mail
Tel. 06 13 66 17 55

Debat in de maak